Pinksteren in Canada

Soms kun je een beetje genoeg krijgen van je dagelijkse leven. Je moet dan iets doen. Ik besloot naar Canada te gaan waar een uitgebreide familie van mijn moeder woonde.

Ze zeggen wel eens dat als je op reis gaat, je lichaam met het vliegtuig reist, maar je ziel met een ezeltje. Dat was ook bij mij het geval. Ik liep door Vancouver en zei steeds tegen mijzelf: ‘Nu ben ik in Vancouver, nu ben ik in Vancouver.’ Alsof het maar niet tot mij door wilde dringen dat ik me werkelijk in Canada bevond.

Al gauw ging ik op zoek naar een baan, omdat ik beslist niet  afhankelijk wilde zijn van mijn familie. Ik vond er een in de dieetkeuken het Vancouver General Hospital. Daar moest ik  speciaal voedsel voor patiënten op een lopende band zetten. Ik werd echt in het diepe gegooid, want ik wist helemaal niets van diëten af.

De eerste regel die me bijgebracht werd, was dat je nooit iets van het eten mocht eten of zelfs maar proeven. Overtrad je die regel, dan volgde er op staande voet ontslag. Zelfs schalen met bijvoorbeeld desserts of gebak die nog helemaal in aluminiumfolie waren verpakt, moesten worden weggegooid. Doodzonde.

Het viel mij op dat er zo ongelooflijk veel nationaliteiten in die keuken aanwezig waren, van mensen uit India en Pakistan tot emigranten uit Tsjechië, Polen, Bulgarije en Griekenland.

Na korte tijd had ik het reilen en zeilen in de keuken door en leerde ik de mensen beter kennen. Op een dag werd ik door een Chinese supervisor gevraagd of ik een serveerdienst wilde draaien op een receptie van artsen en verpleegkundigen. De uitnodiging was meer dan welkom, want hij betekende gewoon extra geld. Samen met twee vrouwen uit Duitsland en Oostenrijk, Hilde en Lisl togen we op een regenachtige avond naar de receptie in een van de zalen van het ziekenhuis.Daar stonden schitterend opgemaakte schalen met brownies, walnut slices (gevulde cakejes met walnoten), appelgebak, cheescake met colagelei en andere lekkernijen klaar om rondgebracht te worden.

Na afloop van de receptie waren er nog heel wat heerlijkheden over. Het was de bedoeling dat we de schalen en bladen met de overgebleven taartjes weggooiden in de afvalbak.‘Zonde,’ vonden Lisl en Hilde spijtig. Met verlekkerde blikken keken ze naar de half lege schalen.‘Zullen we er een paar meenemen?’ vroeg Hilde. Maar ja, het risico om gesnapt te worden was groot. En om je baan nu te verliezen voor het meenemen van een paar brownies…  Schichtig keken de dames om zich heen. De supervisor was in geen velden of wegen te bekennen.‘Waar kunnen we ze in verbergen?’ vroeg Lisl. ‘Stop ze in jullie paraplu,’ adviseerde ik hun een beetje lachend.Tot mijn verbazing deden ze het ook nog. ‘Ach, die supervisor is toch al naar huis,’ zei Hilde schouderophalend.

Daar liepen we door de verlaten gangen, de beide collega’s driftig voortstappend met hun omgekeerde paraplus die aan de onderkant grote bobbels vertoonden van de in servetten verpakte appeltaartjes en brownies. Daar was de lift. We stapten in. ‘Ladies, wacht even. Houd de lift vast!’ hoorden we opeens iemand roepen. Het was de supervisor die door de gang kwam aanrennen. In een onderdeel van een seconde zag ik het gevaar.‘Ik dacht het niet,’ zei ik snel en drukte op een knop. Zacht zoevend sloten zich de liftdeuren. Ontzet keken de vrouwen me aan. ‘Wat heb je gedaan?’ vroegen ze verschrikt. ‘Als ik niet op die knop had gedrukt, waren jullie nu je baan kwijt geweest,’ antwoordde ik. ‘Dat ga je vast en zeker merken,’ zei Hilde.

En inderdaad, ik heb nooit meer een uitnodiging ontvangen om op een receptie dienst te doen als serveerster. Ach, ik had het geld zo goed kunnen gebruiken, maar ik begreep de Chinese helemaal.

 

De tijd verstreek, het werd Pinksteren. Het nadeel van zo’n feest is dat je gedachten terug gaan naar thuis, je mist je ouders, je zusjes en je broers, kortom je lijdt aan heimwee. Gelukkig moest ik die eerste Pinksterdag werken, zodat ik niet al te veel aan thuis kon denken. Om half elf was er de koffiepauze in het keukenrestaurant. Hoewel de hoofdtaal Engels was, hoorde ik ook allerlei andere talen om me heen. Plotseling klonk er een stem die in het Nederlands vroeg: ‘Mag ik bij je komen zitten?’ Het was een Hollands meisje dat ook in de keuken bleek te werken maar op een andere afdeling. Helemaal blij knikte ik. Plotseling begreep ik wat voor geweldigs er gebeurd was met Pinksteren in de tempel van Jeruzalem zo’n tweeduizend jaar geleden: Dat mensen uit alle windstreken van de aarde werden aangesproken in hun eigen taal. Ze voelden zich opeens niet meer vreemd, niet meer alleen. Ze hoorden er helemaal bij.

 

————————-